Rowan Marijnissen: 'Ik voel me geen held, ik doe mijn werk.'

  • 15 juni 2020
  • Nieuwsbericht
  • Coronavirus
  • V&VN Algemeen

Rowan Marijnissen (30) is IC-verpleegkundige in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg en voorzitter van V&VN IC. Hoe beleeft zij de coronacrisis? "Onbewust denk je dat je zelf onoverwinnelijk bent."

Bij vlagen was het een oorlogssituatie, op de IC. "Veel collega’s zien het zo: een moderne oorlog met een onzichtbare vijand, het coronavirus. Zeker in de ergste dagen, in maart en april. Ik herinner me een van de eerste patiënten, een Brabantse man van 47 met benauwdheidsklachten. Aan het begin van mijn dienst maakte ik een praatje met hem. "Als ik er zo vanaf kom", zei hij, "mag ik in mijn handen knijpen." "Nou, dat mag u zeker", antwoordde ik."
 
"We twijfelden of deze meneer wel op de IC moest liggen: hij was niet vitaal bedreigd. Hij had nog makkelijk op de verpleegafdeling kunnen liggen. Tot ik hem hoorde hoesten. Keihard, en heel lang – die hoest kwam van heel diep. Oooeeeh, dacht ik. Even later kreeg hij opnieuw een hoestbui en verslikte zich bij het innemen van twee tabletjes paracetamol. Hij braakte. Kwam niet meer uit zijn hoestbui. Hij raakte uitgeput en zijn zuurstofgehalte daalde. Nog geen uur na ons gesprek lag deze man geïntubeerd op zijn buik, dus met beademingsbuis. Niemand van ons had verwacht dat hij zo snel overrompeld zou worden door het virus en zo snel zou verslechteren. Een dag later werd hij overgeplaatst. Ik weet niet of hij nog leeft."

Helden

In deze zorgelijke tijden worden zorgprofessionals door de rest van het land gezien als helden. Hoe ervaart ze die bijval? "Dat is superfijn. Meen ik echt. Ik voel mij alleen geen held – ik doe mijn werk. Ik denk wel dat mensen die ver afstaan van onze dagelijkse realiteit op de IC’s geen idee hebben wat er werkelijk speelt. Geen idéé. Patiënten zijn soms onherkenbaar, zelfs voor familieleden. Door de buikligging ontstaat er vocht in het gezicht. Lippen en oogleden kunnen fors zwellen, soms zo erg dat de ogen nog maar moeizaam opengaan. Er kunnen drukplekken ontstaan van de beademingsbuis, de infuuslijnen of een plooi van het laken."  

"Een man van begin zestig met corona had naast beademingsproblematiek ook ernstige nierfunctiestoornissen. Dialyse was nodig. Door problemen in de bloedcirculatie ontwikkelde meneer ook longembolieën. Zijn situatie was zo slecht dat we hem niet eens konden draaien. We hebben deze meneer in diepe slaap gehouden zodat hij absoluut niks van zijn gezondheidssituatie zou meekrijgen. Ik zeg ‘absoluut’, maar ja, hoe weet je zoiets zeker? Misschien hoort hij toch iets? Daarom blijven wij praten tegen patiënten op de IC, ook tegen deze man. Goedemorgen, ik ben Rowan, ik ga vandaag voor u zorgen, vanmiddag komt uw vrouw op bezoek..."  

"Het orgaanfalen kan zo ernstig worden dat het leven gewoon ophoudt. We moesten deze meneer afgeven, stoppen met behandeling, op basis van medisch zinloos handelen. Maar de volgende dag was zijn dochter jarig. Moesten we hem laten sterven op de geboortedag van zijn kind? Of zeg je dan: we gaan toch nog vierentwintig uur door? Laat je de patiënt dan niet onnodig lijden? Je probeert afstemming te zoeken bij de familie. Dat is natuurlijk heel moeilijk – zij willen hun man of hun vader überhaupt niet laten gaan. We besloten om de situatie nog vierentwintig uur aan te zien. Uiteindelijk ging meneer toch zelf, onder maximale behandeling en ondersteuning van de vitale functies, op de avond vóór die verjaardag. Wij hebben niet de beslissing hoeven nemen."

Twee banen

Meer herinneringen zijn etsend. "Een doodzieke man kreeg een beademingsslang ingebracht. Hij wist niet of hij nog wakker zou worden en vroeg: "Wil je mijn vrouw even bellen en zeggen dat ik zoveel van haar hou?" Toen ik zijn vrouw aan de lijn had, vroeg zij: "Kun je teruggaan naar mijn man – en zeggen: ik hou ook van jou?" Ik weer terug naar die patiënt. Op kritieke dagen gebeurde dat verschillende keren. Dat breekt je op."  
  
Ze glimlacht. "Ik kan het wel aan. Ik ben veerkrachtig en assertief. Als verpleegkundige op de IC leer je de waarden van het leven kennen. Geluk en verdriet liggen vaak naast elkaar. Als vaste IC-verpleegkundige heb ik vaak de rol van OVD, Oudste van Dienst. Dan ben je het aanspreekpunt van de unit, en verantwoordelijk voor de dagstart en dagevaluatie. Je coördineert. Je coacht. Door de hectiek was er meestal geen ruimte voor discussie, dat ging allemaal heel goed — de saamhorigheid was groot."
 
"Ik scan mezelf. Dat klinkt raar, maar onbewust denk je dat je zelf onoverwinnelijk bent, hè. Immuun voor de gevaren van deze oorlog. Ik werk fulltime. Tegelijkertijd ben ik voorzitter van V&VN IC. Dat betekent: meedenken en meepraten in landelijke overleggen, en als het moet tegenwicht geven als het gaat om de belastbaarheid van IC-verpleegkundigen. Het zijn bijna twee banen. Op een zeker moment realiseerde ik me dat ik in zestig uur tijd maar acht uur had geslapen!"

Mijn schuilplek

"Ontspanning is nodig. Dat weet ik best wel. Voor de coronacrisis was ik aan het oefenen voor de marathons van Rotterdam en Berlijn, maar die zijn nu afgelast. Ik ben ook te moe om te trainen. Ik heb steun thuis, van mijn man Guy. Hij is trots op mij. Sinds februari wonen we in ons nieuwe huis. Ik vind het heerlijk om in het weekend naar mijn favoriete woonwinkel in Breda te gaan. De verkoopsters kennen me daar goed. Ze zijn superlief voor me en vragen veel over de situatie op de IC. Ik merk dat ik moet oppassen met verhalen, want ze schieten gewoon vol. In het begin voelde ik me wel schuldig: kan dit wel? Urenlang in een winkel rondlopen? Moet ik niet thuisblijven? Maar het is mijn uitje. Mijn schuilplek." 
  
"Ik belde mijn moeder, een paar weken geleden. Op het einde van het gesprek zei ze: "Jaaa, je vader is thuis." O? Wat heeft-ie dan? "Nou...buikgriep, koorts, diarree, spierpijn, en hij is heel erg moe." Oh shit, dacht ik. Mijn vader heeft doorgewerkt tijdens de coronaperiode, en kwam veel bij mensen thuis om klussen te doen. Ze vertelde het zo laat om mij niet ongerust te maken. Mijn vader had dus corona. Mijn moeder maakte zich enorm druk. Ik was best een beetje streng voor haar, zo van: hoho, papa belandt echt niet zomaar op de IC, hij heeft een blanco voorgeschiedenis en is nog niet eens zestig. Een dag later belde ik mijn moeder opnieuw, tussen de middag, in mijn pauze. Ze zei: "Je vader voelt zich wel beter." Een uur later stuurde ze een appje: "Ik zit nu op de spoedeisende hulp. Ik heb benauwdheidsklachten." Godnondeju mam, ik had je net aan de telefoon! Opnieuw wilde ze mij niet ongerust maken. Gelukkig mocht mijn moeder naar huis. Ze is inmiddels redelijk hersteld, en mijn vader ook. Maar ik heb ze in geen maanden gezien."

'Dit moet je zien!'

Een oorlogsfotograaf zei lang geleden: "Ik huil niet, want met tranen in mijn ogen kan ik niet scherpstellen."  
"Dat begrijp ik wel. In de heftigste dagen op de IC heb ik mij wel gerealiseerd dat de realiteit van mijn werk en de realiteit van thuis twee uitersten waren. Op tv zag ik een heel mooi filmpje over de IC in het Sint Antoniusziekenhuis in Nieuwegein. Heel veel dingen waren voor mij herkenbaar: de blauwe pakken, de bril en het mondkapje, hoe ze een patiënt gingen draaien, de piepjes van de infuuspompen, het alarm van de beademingsmachines. Ik riep tegen Guy: "Kijk! Dit moet je echt even zien!" Hij stond naast me. Ineens keek ik met zijn blik, met de ogen van een buitenstaander, naar wat er allemaal gaande was op de IC. Dit is mijn wereld! En toen... Ik schoot vol. Voor het eerst."

Bron: V&VN Magazine 3-2020 | Tekst: Pieter Webeling | Beeld: Milan Vermeulen

Word lid en praat mee!

Samen met 105.000 leden maken we ons als beroepsvereniging sterk voor professionalisering van de beroepen verpleegkundige, verzorgende en verpleegkundig specialist. Leden horen, zien en helpen; dat is waar we als V&VN voor staan. Wil jij invloed hebben op hoe jouw beroep zich ontwikkelt? Word lid van V&VN.