‘De grofste grappen luchten het meeste op’

  • 4 november 2020
  • V&VN magazine
  • V&VN Algemeen
Foto © Frank Ruiter

Verpleegkundig specialist Henriëtte (Jet) Markink (50) behandelt patiënten met psychotrauma en met stressgerelateerde stoornissen. In haar werk hoort ze veel pittige verhalen, vaak over zaken die haar patiënten als klein kind meemaakten. “De ggz én de reguliere gezondheidszorg zouden veel meer met een traumabril naar patiënten moeten kijken.”

“Ik vind ze krachtig. Enorm krachtig.” We zitten op het terras van haar woonboerderij in de Achterhoek. De vraag was wat haar fascineert in patiënten met psychotrauma. “Ik behandel vooral mensen met vroegkinderlijk trauma. Dat is vaak seksueel misbruik en/of mishandeling, maar het kan ook emotionele verwaarlozing zijn. Of pesten. Dat heeft zo’n impact op wie jij bent, wie jij gaat worden... Ook pesten kan vernietigend zijn.” Haar patiënten zijn vrijwel uitsluitend vrouwen, meestal tussen de 30 en 55 jaar. De verhalen zijn vaak hartverscheurend.

“Ik herinner me een vrouw van in de veertig die emotioneel was verwaarloosd, met een alcoholistische moeder en een gewelddadige vader. Als meisje stond ze aan de trap te luisteren hoe haar pa tekeer ging. Er speelde ook nog misbruik in de vroege kinderjaren. In haar latere leven liep ze tegen van alles aan. De middelbare school haalde ze niet. Andere opleidingen lukten niet. Ze trouwde, maar die relatie liep stuk. Ze had geen werk. Je hoort het vaker van deze patiënten: ze hebben het gevoel buiten de maatschappij te staan. Haar diagnose was: borderline persoonlijkheidsstoornis. Later ook: dissociatieve identiteitsstoornis. Ze was erg angstig en had onder meer blaasklachten, darmproblemen en ernstige gewrichtsklachten, waardoor ze beperkt mobiel was. In het ziekenhuis konden ze geen lichamelijke oorzaak vinden.”

Ik zeg tegen mijn cliënten dat ze niet de enige zijn, dat er dikke boeken zijn geschreven over de problemen waarmee zij worstelen

Verpleegkundig specialist Henriëtte Markink

Houd goede moed

Hoop is een sleutelwoord.   
Ze knikt. “Ik zeg tegen mijn cliënten dat ze niet de enige zijn. Dat er dikke boeken zijn geschreven over de problemen waarmee zij worstelen. Als ik hen mail, schrijf ik altijd: houd goede moed. Ik wil ze perspectief geven. Het is deze vrouw toch gelukt een opleiding te volgen: ze is nu administratief medewerker bij een groot kantoor. Dat is mooi. Dat bedoel ik met krachtig, al is het maar de kracht om te overleven en een redelijk bestaan op te bouwen. Ik bedoel: ik behandel ook mensen met zo’n belast verleden, die in de prostitutie zijn geraakt of verslaafd en dakloos zijn geworden.”

De behandeling van (complexe) PTSS is voor een belangrijk deel gericht op exposure, of blootstelling. “Je diepste pijn moet toch op tafel komen. Dat doen we met blootstellingstherapie en EMDR, een methode om de scherpe kantjes van een beladen herinnering te halen. Waar ik mij als therapeut ook op richt is de narrative, het verhaal dat mensen met vroegkinderlijk trauma zichzelf vertellen. Zij zeggen dan: ik moet wel heel slecht zijn, anders zouden mijn vader en mijn broer mij niet hebben misbruikt. Dus: ík ben schuldig, ik moet mij schamen want ik ben de veroorzaker, en dat moet ik dan maar dragen. Punt. Daar stopt het verhaal. Met blootstellingstherapie bedenkt een patiënt: kun je een negenjarig meisje eigenlijk wel beschuldigen van uitlokking? Zo ontstaat een ander verhaal over het misbruik. Daarmee verander je het verleden niet, maar wel de beleving van het verleden. Dan komt er ruimte voor de woede, het verdriet, de teleurstelling, de pijn. Voor de verwerking, eigenlijk.”

‘Ik weet wat zwijgen is’

Ze lacht vaak. Mét patiënten. “In mijn werk is humor zo belangrijk... De grofste grappen luchten het meeste op, haha. Heerlijk. Ik heb even geen voorbeeld, maar het is ook beter als ik geen voorbeeld geef. Ze zijn echt te hard, zeker ook een grap met collega’s – als je even behoefte hebt aan relativering. Zonder context zou je de lach ook niet begrijpen. Ik heb wel het idee: patiënten met zelfspot en humor knappen sneller op. Een lach is toch: openheid, even plezier, vreugde voor het leven.”

Heeft ze zelf ooit te maken gehad met trauma in haar jonge jaren? Ze aarzelt even. “Jawel. Niet vergelijkbaar met wat mijn cliënten doorgaans meemaken, maar ik ken de pijn. Ik weet van: het niet delen van verdriet. Mijn vader werd ziek toen ik twaalf jaar was. Hij had een locked-in-syndroom en was helemaal verlamd. Hij werd beademd en kon niet praten, alleen zien, denken en horen. Tweeënhalf jaar heeft hij zo gelegen, in een verpleeghuis in Groningen. Ik vond het afschuwelijk. Mijn vader was mijn maatje. Ik was een heel open kind: in het begin vertelde ik erover, tot een vriendinnetje zei: waarom geven ze je vader niet gewoon een spuitje?

“Ik besloot om het leed voor mij te houden, en sloot me af voor alles wat pijnlijk was. Op school bleef ik die populaire, grappige, enigszins recalcitrante meid. Mijn vader overleed toen ik vijftien was. Een dag na de crematie kwam ik op school en hoorde ik dat het paard van een klasgenootje was overleden. Ik ging helemaal mee met haar verdriet. Tot zij erachter kwam dat ik zelf mijn vader had verloren! Hoe opgesplitst kun je zijn? Later ben ik voeding gaan studeren in Groningen, of all places. Vanaf m’n twaalfde las ik veel boeken van mensen met een nog veel heftiger verhaal – die verslaafd waren geraakt of een concentratiekamp hadden overleefd. Het leven kon altijd erger. Dat was mijn troost, zeg maar. Uiteindelijk zocht ik mijn trauma op en ben door de pijn gegaan. Dus ja, ik weet wat het is om te zwijgen. Ik weet hoe moeilijk het is om dan weer te praten, en dat het dan nooit een mooi verhaal is. Vermoedelijk ligt daar de oorsprong van mijn interesse in psychotrauma. Ik ben een goed verstaander, denk ik.”

Eerder zien

Ze is nu verpleegkundig specialist voor (complexe) PTSS. Om zichzelf verder te ontwikkelen deed ze in eigen tijd en op eigen kosten een cursus EMDR. Voor haar drijfveer ontving ze in 2019 de Arendje Jansen-prijs van de Hogeschool Utrecht.

“Een mooie erkenning, dat voelde fijn. Het geeft mij ook een podium. Ik wil graag benadrukken dat de ggz én de reguliere gezondheidszorg veel meer met een traumabril naar patiënten moeten kijken. Heel vaak ligt de oorzaak van onverklaarbare, soms ernstige lichamelijke klachten of stemmingsklachten in vroegkinderlijk trauma. Die kan variëren van sociale fobie tot depressie, van hartklachten tot gewrichtspijnen. De impact onderschatten we nog steeds.

“Ik gaf eens les aan een stel verpleegkundig specialisten in opleiding, allemaal uit de algemene gezondheidszorg. Ik vroeg: hoeveel psychiatrische patiënten heb je in je caseload, denk je? Niemand, zeiden ze allemaal. Een verpleegkundig specialiste urologie zei: “Wij hebben alleen maar blaasproblematiek.” Ik zei: Maar wat denk je van mensen die op jonge leeftijd seksueel misbruikt zijn? Wat doet dat rondom je blaasgebied? Kan het zijn dat je toch patiënten hebt die eigenlijk complex getraumatiseerd zijn? Toen was het stil.

“Vervolgens hield ik ze voor dat uit onderzoek blijkt dat bij ruim veertig procent van alle Nederlandse volwassenen ooit sprake was, of is, van een psychiatrische stoornis. Een patiënt in de algemene gezondheidszorg kan dus heel goed deel uitmaken van die groep, zonder dat je het weet! Daarom vind ik het zo belangrijk dat verpleegkundigen en verzorgenden meer kennis hebben van psychotrauma. Ik zie de worsteling van mijn patiënten, ik zie hoe krachtig ze zijn in de wijze waarop ze hun hoofd boven water houden. Voor ons is het nodig dat we hun problemen eerder zien en erkennen, om te voorkomen dat ze kopje onder gaan. Daar wil ik mij sterk voor maken.”

Bron: V&VN Magazine 4-2020 | Tekst: Pieter Webeling | Beeld: Frank Ruiter

Word lid en praat mee!

Samen met 105.000 leden maken we ons als beroepsvereniging sterk voor professionalisering van de beroepen verpleegkundige, verzorgende en verpleegkundig specialist. Leden horen, zien en helpen; dat is waar we als V&VN voor staan. Wil jij invloed hebben op hoe jouw beroep zich ontwikkelt? Word lid van V&VN.