Beter indiceren in de wijk; zo pak je het aan

  • 13 december 2018
  • Nieuwsbericht
  • Richtlijnen en protocollen
  • V&VN Algemeen

Bepalen wat een cliënt nodig heeft én wie de zorg uitvoert. Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet zijn wijkverpleegkundigen verantwoordelijk voor de indicatiestelling en zorgtoewijzing. Wat er precies nodig is, verschilt per cliënt. Zo is de een zelfredzamer dan de ander. Ook wijkverpleegkundigen verschillen onderling. Iedereen indiceert op zijn of haar eigen manier, met eigen ervaringen en kennis. Dit hoeft geen probleem te zijn, maar in sommige gevallen leidt dit tot onverklaarbare en ongewenste praktijkvariatie. Het project Intercollegiale toetsing moet hier verandering in brengen.

V&VN vindt intercollegiale toetsing al langere tijd een sterke manier van leren. Om dit in de wijk te stimuleren, wordt een groep van 13 wijkverpleegkundigen opgeleid om intercollegiale toetsing te begeleiden. Zij begeleiden straks allemaal twee groepen wijkverpleegkundigen. Tijdens een intercollegiale toetsingssessie wordt het individueel handelen van een wijkverpleegkundige besproken en getoetst aan de hand van een praktijkvoorbeeld. Hij of zij wordt zo gedwongen om na te denken over zijn of haar handelen en om gemaakte keuzes te onderbouwen. Het doel: kennis en inzichten delen, waardoor wijkverpleegkundigen meer op dezelfde manier gaan indiceren. Sanne Hooijen (33), werkzaam bij Zuyderland Thuiszorg in Limburg, neemt deel aan het project. “Door collega’s te vragen wat zij zouden doen, kom je tot andere inzichten. De praktijkvariatie wordt kleiner; wijkverpleegkundigen zitten meer op één lijn.”

Jij bent betrokken bij het project, mede vanwege je vakkennis. Wanneer spreek je volgens jou van een goede indicatie?

“Voor mij is goed indiceren een breed verpleegkundig onderzoek uitvoeren bij de cliënt. Hierbij houd je rekening met alle leefdomeinen en ga je op zoek naar de oorzaak, de kern, van het probleem. Daarnaast vind ik het belangrijk dat de cliënt zelf zijn doel uitspreekt: wat wil hij bereiken? Vervolgens kun je samen met de cliënt bespreken of, en zo ja hoe, wijkverpleegkundige zorg hieraan kan bijdragen.”

Waarom kan juist de wijkverpleegkundige deze taak goed uitvoeren?

“Wij komen thuis bij de cliënt. We zien welke zorg nodig is, maar bijvoorbeeld ook hoe het netwerk van de cliënt eruitziet. Dat we mogen indiceren, vind ik iets moois. Het betekent dat we autonoom zijn. Hier moeten we heel goed mee omgaan.”

Wat gaat er nu ‘mis’ in de praktijk?

“Er is sprake van praktijkvariatie. Uit onderzoek blijkt dat waar de ene wijkverpleegkundige nul uur indiceert voor een casus, een andere wijkverpleegkundige voor dezelfde casus acht uur kan indiceren. Dat is interessant: hoe kan dat? Is er geen of onvoldoende ruimte voor een goed verpleegkundig onderzoek? Of is de verpleegkundige anamnese niet breed genoeg? Natuurlijk speelt ook mee dat iedere wijkverpleegkundige zich anders ontwikkelt. Door ervaringen en bepaalde expertise bekijkt iedereen een casus op zijn of haar unieke manier.”

Hoe kan intercollegiale toetsing eraan bijdragen dat de praktijkvariatie kleiner wordt?

“Door casussen met elkaar te bespreken en collega’s te vragen wat zij zouden doen, kom je tot andere inzichten. Ik word nu opgeleid tot wijkverpleegkundig procesbegeleider en in januari ga ik samen met een collega binnen onze organisatie de eerste intercollegiale toetsingssessie begeleiden. In een veilige omgeving bespreekt een wijkverpleegkundige een casus en de door hem of haar gestelde diagnoses en doelen. Collega’s kunnen vervolgens vragen stellen en meedenken: wat hadden zij gedaan? Deze gesprekken leveren input op die je als wijkverpleegkundige kunt meenemen. In de ideale situatie zeggen de collega’s dat zij de casus precies op dezelfde manier hadden aangepakt. Nu doen we binnen de organisatie al wel aan ‘informele’ toetsing. Zo loop ik weleens naar een collega met de vraag: ‘Wat zou jij doen?’ Vaak zitten we op één lijn, maar niet altijd. Eén ding is zeker: door casussen met elkaar te bespreken leren we van elkaar en werken we aan de professionalisering van de indicatiestelling.”

Wat levert goede indicatiestelling de cliënt op?

“Twee weken geleden kwam ik bij een cliënt die na een revalidatieperiode weer naar huis mocht. Er was door het ziekenhuis een aanvraag gedaan: de cliënt moest worden geïnjecteerd. Ik besloot niet op de automatische piloot te handelen en die zorg te organiseren, maar te investeren in een verpleegkundig onderzoek. Wat bleek? Deze cliënt wilde helemaal geen thuiszorg, omdat dit hem zou belemmeren in zijn vrijheid. Hij wilde zelf de spuiten zetten. Wij hebben de cliënt die vaardigheid aangeleerd, zodat hij het zelf kan. Het begint bij de cliënt: als de motivatie er is, wordt het doel sneller bereikt.”

Word lid en praat mee!

Samen met 105.000 leden maken we ons als beroepsvereniging sterk voor professionalisering van de beroepen verpleegkundige, verzorgende en verpleegkundig specialist. Leden horen, zien en helpen; dat is waar we als V&VN voor staan. Wil jij invloed hebben op hoe jouw beroep zich ontwikkelt? Word lid van V&VN.