Wil (39) werkte als gediplomeerd verpleegkundige in het begin van haar loopbaan als uitzendkracht. Als ze op een dag alleen is met twee leerling-verpleegkundigen op een voor haar onbekende afdeling, loopt het uit de hand.
“Een met een bezem gewapende patiënt die je boos achtervolgt over de afdeling… Het moet er ongetwijfeld hilarisch hebben uitgezien, maar zelf vond ik het helemaal niet zo grappig. Ik was net gediplomeerd als verpleegkundige toen ik als uitzendkracht een dagdienst draaide in een instelling voor psychogeriatrische zorg. De bewoners op ‘mijn’ afdeling waren dement en konden problematisch gedrag vertonen. Dat het een rampdag zou worden, had ik al kunnen weten toen ik ’s ochtends binnenkwam en bleek dat er geen vaste kracht aanwezig was, alleen twee leerling-verpleegkundigen. Ook lag er geen duidelijke overdracht voor mij, zodat ik nauwelijks wist wat ik moest doen. De leerlingen deden hun best, maar mochten veel handelingen nog niet zelf verrichten. Dus begon ik zelf maar vol goede moed met het uitdelen van medicatie. Alleen bleken nogal wat bewoners hun eigen naam niet te weten. Bij de patiënten die in bed lagen, viel er met wat kunst- en vliegwerk nog wel achter te komen, maar wat moest ik met de mensen die in de huiskamer liepen? Gelukkig zaten er naamlabels aan hun kleren, zodat ik de juiste pillen bij de namen kon zoeken. Tot ik erachter kwam dat veel bewoners elkaars kleren droegen. Grote kans dus dat sommigen de verkeerde medicatie hadden gekregen. Weliswaar zaten er geen heftige middelen bij, maar toch. Ik kreeg er buikpijn van; dit voelde helemaal niet goed.”
Trillend op mijn benen
“Maar het werd nog erger. Even later sprak ik een oude man aan over hoe hij zijn medicatie moest innemen – niet wetende dat deze slecht reageerde als hij direct werd aangesproken. Hij werd ontzettend bang, greep agressief naar de bezem die naast hem stond en ging me ermee te lijf. Omdat hij niet meer aanspreekbaar was, zat er voor mij maar één ding op: maken dat ik wegkwam. En dus rende ik door de gangen met de man met een bezem achter me aan. Ik was doodsbang – niet alleen voor mezelf, maar ook dat hij de andere bewoners iets zou aandoen. Gelukkig wist ik hem een kamer in te lokken, waarna ik er zelf snel uitglipte en de deur op slot draaide. Trillend op mijn benen maakte ik de balans op: ik zat zonder vaste krachten op een afdeling die ik niet kende, met twee leerlingen, een angstige groep patiënten en een opgesloten agressieve man. Bovendien had ik sommige mensen misschien de verkeerde pillen gegeven. Dit was niet verantwoord. Ik belde een andere afdeling en zei: ‘Of er komt nú vast personeel als versterking bij of ik ga nú weg.’ Toen er eindelijk iemand kwam, ben ik alsnog naar huis gegaan. Ik kon daar niet langer blijven.”
“Ik was doodsbang, voor mezelf en voor de andere bewoners”
Grenzen aangeven
“Natuurlijk was het totaal onverantwoord van de instelling om een uitzendkracht op die afdeling te laten werken. Maar achteraf gezien had ik ook zelf mijn grenzen beter moeten bewaken. Met nog maar net mijn diploma op zak stond ik nog niet zo stevig in mijn schoenen. Daardoor was ik niet assertief genoeg om te zeggen: dit doe ik niet. Ik heb veel geleerd van deze rampendag. Daarna ben ik nooit meer zó over mijn eigen grenzen gegaan.”
Dit artikel verscheen eerder in V&VN Magazine, maart 2011.